12 maart 2006
Baarskoorts (II)
Elke visser heeft een ultieme droom. Een droom van die ene gigantische vis, van die hartverlammende aanbeet of van die perfecte dag samen met een vismaat. De sfeer is subliem, het weer werkt mee en de vis nóg meer. Je geniet op meest pure manier die bestaat. Totdat de wekker je avontuur zonder pardon doet opgaan in het niets. Maar wat doe je als je droom werkelijkheid wordt? Blijf je koel, geloof je meteen wat je meemaakt? Of wacht je op die wekker? Ik wist het antwoord niet.
‘Nee. We gaan niet terug naar de stek van gisteren. Dat was niet het plan en ook al hebben we er zo belachelijk veel gevangen, we gaan er niet heen.' Ernst gaat tijdens het ontbijt serieus in op mijn plagende opmerking en ik ben het roerend met hem eens. Ook ik wil vandaag graag naar de stek die we aan het begin van dit weekend voor deze dag uitgekozen hadden. Het wordt waarschijnlijk een dagje keihard zoeken, en we kunnen slechts hopen dat we de vis vinden. Maar dat is uiteindelijk de charme van onze hobby, niet? We gaan ervoor en we zullen zien.
Terwijl we naar het station lopen kijkt Ernst meerdere keren op zijn horloge. ‘We gaan die trein toch wel halen hè?' Ik krijg geen overtuigend antwoord en stap iets steviger door. ‘Nog vijf minuten', hoor ik vervolgens. Wat? We moeten nog een heel eind lopen en Ernst moet zelfs nog een kaartje kopen. Dat kan haast niet goed gaan! De trein staat al klaar als we aan komen hollen op het perron. Het zal toch niet gaan gebeuren? Nee toch? Ernst laat z'n spullen spontaan vallen en rent naar de kaartjesautomaat. Ik begrijp het meteen en sleep de spullen samen met die van mij richting het gele gevaarte. En dan, terwijl ik op m'n maat wacht, gebeurt het: de trein begint te rijden. Een zucht, een vloek. Ernst komt aanlopen en zijn gezicht staat op onweer. Uiteraard. Veel lelijke woorden en geklaag maken duidelijk dat mijn vriend écht gefrustreerd is. We wisselen heel weinig woorden in het kwartier dat volgt. Wat een baggerzooi is dit; wederom is er een dik uur aan vistijd verknald. Hoe kán het ook gebeuren? Je staat op tijd op, geniet rustig van een uitgebreid ontbijt omdat je alle tijd hebt, en mist dan alsnog de trein. ‘Een goed begin is het halve werk.'

Van de nood een deugd maken is een kunst. Lang leve de kunstaasbakken.
Het sissende geluid van de stoppende trein valt ons niet op, want onze aandacht is volledig gericht op het water dat nu al te zien is. ‘Hup, uit die trein!' Twee volgepakte gekken met hengels stappen het perron op en trekken onbedoeld de aandacht van enkele brave Nederlandse burgers. ‘Wat gaan die doen?'
We treffen een buitengewoon rustige stad aan, die duidelijk nog slaapt. En dat terwijl de dag al lang begonnen is! De zon schijnt uitbundig en de voorspellingen hebben ons geleerd dat hij dat waarschijnlijk de hele dag zal gaan doen. Er staat geen zuchtje wind.
Onze twisters – dé succesaasjes van gisteren – gaan al snel te water in een grote havenkom. Het water blijkt ‘n metertje of drie diep en rechts, verderop, zien we een jachthaven liggen. Er komt een hond voorbij gelopen en de eigenaar, die al snel volgt, spreekt ons aan. Na een korte woordenwisseling over onze visserij en een paar vragen van de man krijgen we ongevraagde informatie. ‘In die jachthaven zie ik vaak vissers zitten, en ze staan dan met wormpjes te vissen, vlakbij de kant.' Het is ons meteen duidelijk dat dit ook baarsvissers zijn. Maar dan van een andere familie! Het gaat hier niet om kunstaasvissers zoals wij, maar om rasechte ‘baarspeuteraars'. Het doel van deze collega's is het vangen van zoveel mogelijk baarzen, waarbij het formaat er niet toe doet. Niet bepaald onze instelling dus, maar we zijn blij met de informatie die de man ons geeft.
Het werpen levert helemaal niets op. Een fuut wordt beloond voor zijn duik, als hij even later met een vis in z'n bek weer boven komt. ‘Genoeg vis hier blijkbaar, dus dat is niet het probleem. Waar zijn die baarzen dan?' Met een wantrouwend gevoel lopen we richting de jachthaven.

Zon en de afwezigheid van de wind deden niets af aan de feitelijke temperatuur: vorst!
Grote hekken en afschrikkende borden bevestigen ons vermoeden dat de steigers niet vrij toegankelijk zijn. Men heeft er duidelijk werk van gemaakt om ongewenst volk buiten de jachthaven te houden. Mijn hemel, wat 'n overdreven gedoe is dit. Vervelend ook!
Teleurgesteld maar niet helemaal zonder hoop sjokken we met onze spullen terug richting station, waar we meer dan genoeg water vinden dat nog afgevist kan worden. Onze twisters huppelen over de bodem, nadat ze talloze keren langs boten en richting het open water gesmeten zijn. Het resultaat? Niets. Nul komma nul! We merken dat het water overal zo'n drie meter diep is, en dat de bodem noch hard, noch zacht is. Scherpe taluudjes ontdekken we niet en dat maakt het vinden van de vis tot een hele taaie opgave. De vele kades en boten prikkelen onze gedreven geest enorm, maar alle potentiële stekjes leveren niets op. ‘Ok, een nieuw plan!', oppert Ernst.

Een prachtige, maar doodse sfeer omgeeft ons.
We zitten op de grond aan het einde van een lange kade, met de zon in het gezicht. De bescheiden wind – die hier bij het open water wél van zich doet spreken – blaast in onze rug en we genieten enorm van onze boterhammen en nootjes. Een fles cola maakt de luxe compleet. ‘Wauw, wat is dit lekker!' Een brede grijns van Ernst maakt duidelijk dat ik niet de enige ben die het naar zijn zin heeft. Maar ik kom terzake: ‘Wat gaan we nu doen?'
We besluiten de stadsgracht 'n kans te gaan geven en bij gebrek aan resultaat daar, twee andere stekken te gaan aandoen. De rugzakken gaan over de schouders, de jassen weer dicht en we gaan op weg. Het is al een uur of half twaalf.
Hoewel we enorm genieten van de prachtige bouwsels in de stad, levert het vissen helemaal niets op. Na een uur struinen is er nog steeds geen resultaat en eigenlijk zijn we allebei doordrongen van het gevoel dat deze dag niets meer gaat opleveren. Wat een contrast met gisteren.
Ik drentel door de straten met mijn hengel in de hand, m'n warmtepak is totaal overbodig met dit weer en ik zweet als een idioot. Dagjesmensen passeren ons en kijken soms raar op naar ons. Ernst kijkt ook niet hoopvol uit zijn ogen. Ik voel dat de motivatie een dieptepunt bereikt heeft. Een zucht verlaat mijn mond.
Dan is daar de laatste jachthaven. Hekwerk, een slagboom en een groot bord (‘Verboden toegang voor onbevoegden') verwelkomen ons en de moed wordt niet bepaald groter. Toch hak ik de knoop door. ‘Kom, we gaan gewoon en we zien wel of we gezeur krijgen. Een beetje lef is gezond.' Stilletjes maar niet overdreven voorzichtig sluipen we het terrein op, totdat we de steigers tot enkele meters genaderd zijn. We bekijken nog even het overzichtsbord dat bij de ingang staat, maar kijken elkaar dan aan en we weten genoeg: het is tijd om de gok te wagen.
De eerste stappen op de steigers gaan - net als gisteren - gepaard met het kenmerkende gevoel dat er elk moment iemand op ons af kan stappen. ‘Heren, waar gaat dat heen?' Zoiets. Maar…er gebeurt niets. Nog enkele meters lopen we, het water en de boten om ons heen argeloos inspecterend. Althans, zo moet het lijken. Beiden denken we daar helemaal niet aan; we hopen alleen maar van harte dat we met rust gelaten worden.
Dan zijn we los van de wereld. Een geweldig, bevrijdend gevoel overvalt ons. Het is gelukt, we zijn er! Voor ons strekt de gigantische jachthaven zicht uit en zo blij als een kind kijk ik uit over de rest van de steigers. Verderop liggen ze er helemaal verlaten bij. Dit is een erg forse jachthaven, goeiedag!
De zon schijnt volop en er staat helemaal geen wind. Toch is het niet echt warm. ‘Wauw, wat is dit een perfecte situatie. Wat een droomstek. Stel je voor dat we hier ook vis zouden vangen!' Ernst knikt ten teken dat hij precies hetzelfde denkt, maar beiden hebben we ook het sterke gevoel dat onze kansen vandaag vrijwel nul zijn. Het lijkt een uitgestorven boel hier, ook onder water.
Vrijwel volstrekt onwillekeurig slaan we rechtsaf. We lopen een doodlopende zij-arm van de hoofdsteiger op en staan nu tussen de boten. ‘Veilig', voor ons gevoel. Uit het zicht van de mensen die er niet zijn. Want het is nu echt stil om ons heen. Verderop wel een zeilboot die traag tussen de steigers manoeuvreert. Met een klein plonsje gaat het gele twistertje van Ernst te water; het shadje van mij doet hetzelfde langs een boot verderop. Enkele minuten verstrijken zonder dat er ook maar íets gebeurt. ‘Ik spring een gat in de lucht als we érgens vis weten te vinden' meld ik Ernst.
‘Ja, nee mis!' Ik kijk meteen op en zie Ernst in het water turen. ‘Daar, shit! Hij volgde!' Ik twijfel geen moment en laat mijn kunstaasje vlakbij die van Ernst naar de bodem duiken. De lijn stopt met aflopen, ik sluit de molenbeugel en verticaal met volle concentratie. Meteen is er actie. Ik voel lichte tikjes, afgewisseld door het wegvallen van de spanning op de lijn. Verschillende keren sla ik in de lucht – net als Ernst – maar dán is het raak bij mij! Vis! Een schitterende, hoge twintiger vecht door tot in het wateroppervlak maar wordt dan op de steigers getild. YEAH! We hebben ze! Een gevoel van macht stijgt in ons op.
De vis wordt kort bewonderd en dan snel teruggezet. En wat gebeurt er? Ernst staat met een kromme hengel naast me! Verbaasd zie ik een prachtige, forse baars verschijnen. En ook bij mij knalt er nu meteen weer een vis op! Het is plotseling een en al actie en onrust in onze hoofden. Wat gebeurt hier nu ineens? Wat is dit? Hebben we toevallig een schooltje baarzen aangetroffen in de zee van stilte die deze jachthaven is? Toch geen grote school met vis zeker? Dat zou een regelrechte droom zijn! Nee, het kan haast niet. Giechelend als meiden, vanwege de opwinding van dit succes tillen we onze vangsten uit het water. Brede grijnzen staan op onze gezichten. Waanzinnig, wat mooi is dit! Wat 'n puntgave vissen zijn het ook!

Vanuit het niets duiken enkele beauty's van baarzen op. Wat gebeurt hier?
Van onze ingetogen stemming is nu plotseling niets meer over. We moeten onszelf dan ook inhouden om niet als 'n idioot over de steigers te gaan lopen, in ons enthousiasme. ‘Gewoon gaan zitten joh!' gebiedt Ernst mij. Hij heeft helemaal gelijk. Het is nu een kwestie van genieten van het schitterende weer, het vissen en het samenzijn. Want we hebben het vooral sámen naar onze zin.
Gelukkig worden we in het uur dat volgt met rust gelaten. Niemand komt ons lastig vallen met de mededeling dat we op verboden terrein zijn, of dat vissen hier niet toegestaan is. Niets van dat alles; pure ontspanning! En de baarzen? We kunnen het zelf nauwelijks geloven, maar we blijven ze vangen. En het zijn vrijwel alleen maar vissen van onder in de dertig! In het begin verticalen we vooral onder onze voeten, later zoeken we de vis met pendelworpjes ook iets verder van ons vandaan. En wat blijkt? Het maakt helemaal niets uit; overal vangen we baarzen!

Verticalend onder je voeten baarzen vangen, mét een fel zonnetje in je gezicht. Dít is ontspanning!

Een van de eersten…
Ernst trekt de stoute schoenen aan, en tovert een lepeltje tevoorschijn waar hij nog nooit eerder vis mee wist te vangen. Het is een prachtig ding met een gouden gloed en pikzwarte strepen. Veel te vaak heb ik al gezegd dat het stukje staal vis op moet kunnen leveren.
Het ding vindt de bodem onder de voeten van Ernst, die de molenbeugel sluit en begint te verticalen. Vijf seconden, tien hooguit? Dan trekt het hengeltje links van mij krom en pompt mijn vriend de volgende baars naar boven. Het lepeltje is ontmaagd!
Zelf ben ik overgestapt op een gele twister. Deze dingen zijn sowieso killers voor baars, maar onder deze visrijke omstandigheden verwacht ik er al helemaal veel van. En ja hoor: ik blijk het bij het juiste eind te hebben. Meerdere vissen komen in korte tijd tijdelijk in mijn handen terecht.
We vangen bijzónder goed, maar wat opvalt is dat de vis in vlagen aanwezig lijkt te zijn. Nu eens valt het weer even kort stil – een minuut, twee misschien - , dan weer vangen we twee vissen tegelijk. Het gaat opvallend vaak zo. ‘Volgens mij jutten ze elkaar op, dit is voedselnijd' zeg ik tegen Ernst. ‘Goed mogelijk' is de reactie.

Kleine vissen zijn simpelweg niet van de partij. Alléén maar forse jongens knallen op ons kunstaas en dubbelvangsten zijn talrijker dan de enkele. Waanzin!
Nadat er een stuk of twintig baarzen gevangen zijn, richt ik mijn hoofd pas op en ik besef me dat we alles tot nu toe hebben gevangen in enkele vierkante meters water. En dus blijft de vraag die we al eerder hadden onbeantwoord: ‘Is dit een enkele school of zit hier ontzettend veel vis?' Er is maar een manier om het uit te vinden, begrijpen we allebei. En dus begin ik werpend te vissen. Ernst mist op afstand een paar aanbeten, zelf ben ik gelukkiger. Bij mijn eerste worp haak ik direct vis. Op tien meter afstand liggen ze dus ook! Ik hang met mijn kromme hengeltje achterover op de steiger, links van mij zie ik Ernst jaloers toekijken. Mijn grijns lijkt te groot te zijn voor m'n mond en ik moet me inhouden om niet hard te gaan lachen. Wat 'n genot is dit! Meerdere dertigers trekken onze hengels weer krom en worden aan het fors groeiende lijsten van vangsten toegevoegd…
Ons ‘territorium', zoals het stukje steiger inmiddels voelt, wordt dapper door Ernst verlaten als hij een paar meter naar links opschuift. ‘Even kijken hoe het daar is', fluistert hij bijna. Het valt me niet eens op; zelf kan ik ook niet voorzichtig genoeg zijn op deze stek. We moeten zuinig zijn!
Als ik door mij vismaat na een minuut of vijf een forse baars te zien krijg, blijkt dat het al de derde vis is die hij er gevangen heeft. ‘Aan de lopende band' is het bijgaande commentaar. Ik weet genoeg! Snel vervang ik mijn staartloze twister voor een nieuwe, en ik begeef mij ook naar links. Ik merk dat er van de voorzichtigheid die ik me voorgenomen had niet veel meer over is. Van deze droom moet genoten worden, zónder mate! Ik neem het voorbeeld van Ernst over en plof neer op het uiteinde van een smal zijsteigertje, waar links van mij een boot aan ligt. Rechts van mij een leeg vak, dan een boot waarachter Ernst verscholen zit. En maar takelen die jongen! Dat wil ik ook.
Ik begin te werpen richting het open water voor me, en op moment dat de twister de bodem bereikt barst het feest pas echt los. Na een paar tikjes van mijn kant volgt een agressieve tik aan de andere kant van de lijn en ‘hoppa!', de eerste baars op mijn nieuwe stekje knokt aan het einde van de lijn.
Het uur dat volg is verreweg het meest absurde dat ik ooit heb meegemaakt. Kreten als ‘Ja!', ‘Nee', ‘Ai, los', ‘Ja, tóch!', ‘Shit' en ‘Ow, wat 'n aanbeet!' volgen elkaar net als gisteren op alsof we een gesprek voeren. Zo nu en dan kijken we elkaar aan, alsof we in elkaars aanwezigheid de bevestiging zoeken voor de vraag of dit allemaal werkelijk gebeurt. ‘Wat ís dit nou joh? Ongelooflijk, het gáát maar door! En de vissen van gisteren verbleken hier bijna bij!' 90 procent van de baarzen is een centimeter of 32 lang.

De gele twisters van Ernst lijken de baarzen als een magneet aan te trekken. Werkelijk aan de lopende band knallen de rovers erop, met daarbij af en toe een vis van 35 centimeter als welkome afwisseling op de 32ers. Luxe went snel, zo blijkt.
We maken gekke dingen mee. Zo blijkt mijn staartloze twister net zo goed te vangen als een exemplaar mét staart en levert élke worp uiteindelijk vis op. Steeds beginnen we met een worp van 'n meter of zeven ver, waarna de eerste beten heel snel volgen. Missen of lossen we vier vissen, dan pakt de vijfde ‘m wel. Nog nooit eerder bleef ik bij het lossen van baarzen trouwens zo onbewogen.
Ik denk terug aan het lepeltje van Ernst, en besluit dat mijn droom nog 'n trapje hoger kan. Aan de lopende band forse baarzen vangen met lepeltjes is namelijk een van de ideeën waarbij ik altijd begon te kwijlen. Het zou nu moeten kunnen!
Het stukje staal wandelt over de bodem. Een sprongetje, twee, drie…Bam! Als een idioot knalt de eerste vis erop. ‘Meteen raak!' zeg ik tegen Ernst. Ik kijk naar rechts, maar zie alleen maar het inmiddels vertrouwde beeld van zijn kromme hengeltje dat tussen de boten uitsteekt. ‘Mooizo kerel!'
Beiden vangen we alleen nog maar zittend baars. Nog nooit was vissen zó lekker. Onze voeten steunen op de buis van de steiger, de felle zon en het windstille weer maken de omstandigheden ronduit perfect en grote baarzen stellen ons lichte materiaal op keer op keerde op de proef. Ik kan wel huilen van genot.

De auteur in een roes
Het lepeltje blijft een half uur lang scoren als een gek, en dan wordt het íets rustiger. Bij Ernst gebeurt hetzelfde met zijn twister en hij neemt maatregelen. De andere kant van de steiger 'n keer proberen dan maar! We zijn helemaal niet meer schuw en lopen op de steiger alsof hij van ons is. Ik blijf nog even zitten en kijk om naar Ernst, die zijn kunstaas volstrekt onwillekeurig richting het open water smijt. En ik geloof haast niet wat ik zie. ‘Ja, hangen.' Meteen! Ik steek m'n verbazing niet onder stoelen of banken, nu ik besef dat dit ‘lopende- band werk' dus overal mogelijk blijkt. De baarzen liggen gewoon overal, dit is 'n monsterschool met baars!
Al mijn twijfel is weg en ik verruil m'n luie zitplek voor een staanplaats achter me. Tussen twee boten vind ik een mooi plekje van waaruit ik verre worpen kan maken richting de steiger verderop. Daar gaan we! De eerste twee worpen blijven visloos en dat geeft inmiddels een zeer slecht gevoel. Ik zei al dat luxe snel went. De derde worp levert wel een fraaie baars op, en ik vang er snel nog enkele bij, /wat opvalt is dat de aanbeten op het lepeltje vaak snoeihard zijn, terwijl de twister vaak voorzichtiger gepakt lijkt worden.
Werpend met het stukje metaal sta ik superlekker te vissen, en dán bereikt mijn droom zijn hoogtepunt. Terwijl het lepeltje naar de bodem dwarrelt, wordt het gegrepen door 'n forse vis. Vooral als die mij nadert voel ik al dat het echt om 'n mooie baars moet gaan. 'n Veertiger? Ik ben er niet zeker van – of durf het niet te zijn -, totdat de vis onder mijn voeten protesterend aan het oppervlak verschijnt. Waanzinnig, wat 'n mooi beest! De lipgreep wordt na enkele mislukte pogingen succesvol uitgevoerd en vol trots kan ik mijn vriend de vis plagerig tonen. ‘Jezus Borger…' De uitspraak gaat gepaard met 'n brede grijns.

Een echte droom heeft een hoogtepunt. Dus ook deze!

43 centimeters laten een blij mens achter op de steiger. Enkele staarslagen zijn het laatste dat ik van de droomvangst zie.
Ik ben nu echt door het dolle heen. Mijn dag kan gewoon niet meer stuk en dat laat ik Ernst weten. Hoewel hij natuurlijk ook hoopt op een vergelijkbare vis en lichtelijk jaloers is, is hij het natuurlijk met me eens. ‘Die veertiger komt wel, geduld.' Ik probeer m'n maat iets op te peppen.
We zijn een kwartier verder als ik gelijk krijg. Een grote baars laat zich pas echt goed schatten als hij vlakbij Ernst' voeten tevoorschijn komt, en die meldt dan ook meteen dat dit ‘toch wel 'n erg grote jongen is'. Haalt ie de veertig? Het meetlint laat ons even in spanning, maar laat dan toch duidelijk zien dat de vis precies veertig centimeter lang is. Ook een kers op de taart voor mijn vriend dus!

De toch al onvergetelijke dag had dus nog meer in petto

Je hebt fóto's, en je hebt superplaten …
De periode van het genieten gaat heel langzaam over in banaal aantallen vangen, als we ons realiseren dat honderd vissen op een dag net als gisteren haalbaar is. Ernst hoeft daarvoor nog maar 'n paar vissen te vangen, zelf zal ik iets meer moeite moeten doen. Veel wordt er niet meer gezegd; de twisters – mijn lepeltje ligt weer in z'n bakje – bereiken de bodem, haken de ene na de andere forse baars, die vervolgens wordt onthaakt en teruggezet. Ik denk aan het monotone uitzendwerk dat ik afgelopen week deed. Nee, dit is toch stukken mooier. En niet uit te drukken in geld of andere getallen! Elke baars houd ik toch even kort voor me om hem te bewonderen.
Als Ernst nummer honderd in zijn handen heeft, sta ik op 91 baarzen. Het is onvoorstelbaar, maar waar. Toch? Ik besluit mezelf niet te knijpen; de talloze wondjes die ik vandaag heb opgelopen van stekels en andere wapens van de baarzen, voel ik wel degelijk.
Op het laatst vangen we vrijwel alleen nog maar vis pal tegen volgende grote steiger. We besluiten de ‘onze' dan ook te verlaten en op te schuiven. Na een minuutje lopen gaan de twisters opnieuw te water, recht onder onze voeten. ‘Hier zouden ze dus moeten liggen.'
En ja hoor: het feest barst vrijwel meteen weer los. We vangen weer vis alsof het niets is, en de dertigers volgen elkaar in erg rap tempo op. Of ik die honderd dus haal? Nee. Ik blijf steken op 98 vissen en zie Ernst uitlopen naar een onbeschofte 116 baarzen. Dan moeten we écht gaan.

Een van de laatste, fraaie baarzen. Een goed voorbeeld van de gemiddelde lengte die de vissen vandaag hadden. Kleiner waren ze niet.

Het geluk kon niet op.'De stek wordt achtergelaten zoals een pelgrim zijn bedevaartsoord verlaat: zwijgend en met het gevoel dat die ene droom of missie volbracht is. We kunnen gewoon niets zinnigs zeggen over vandaag, kunnen alleen maar zuchten en onze verbazing laten blijken. Wat 'n dag en wat 'n weekend. ‘Dit maken we misschien wel nooit meer mee.
Bard Borger |